Retour au menu         
 

     Accueil

    Visite (FR)

    Visite (NL)

    Visite (EN)

    Dessin

    Vocabulaire

     

 

   

 

Historique et visite du château

Inleiding

Het kasteel van Beersel, een waterburcht, is één van de weinige, goed bewaarde voorbeelden van middeleeuwse krijgsbouwkunde in ons land. Het staat er nog zoals het er uitzag tegen het einde van de 15e eeuw, - het werd nooit tot lustslot verbouwd -, zodat de bezoeker dadelijk ervaart, hoe er in een middeleeuws, versterkt kasteel geleefd werd.

In de herfst van 1999 nam het gemeentebestuur van Beersel het beheer van het kasteel over van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België via een erfpachtovereenkomst. Hoofddoel is dossier na dossier het herstel, de renovatie en verdere verbeteringen aan het kasteel aan te vatten. Intussen werd reeds de volledige verlichting vernieuwd en werd gezorgd voor een sterkere stroomvoorziening. Het gemeentebestuur bouwde bovendien reeds een fonds op dat intussen de 21 miljoen overstijgt, een reservefonds als gemeentelijk aandeel in het restauratie - en renovatiedossier
Nieuwe stappen voor een verdere aanpak tot het bewaren en redden van het kasteel zullen met de bevoegde overheden, inbegrepen de diensten van de Vlaamse Overheid voor betoelaging van monumenten, en de provincie Vlaams-Brabant, ondernomen worden.

Een blik op het kasteel

Tussen de jaren 1300 en 1310 werd het opgetrokken als vooruitgeschoven verdedigingspost van Brussel. Na de bestorming en de plundering door de Brusselaars in 1489 werd het gedeeltelijk herbouwd. Van die tijd dagtekenen de spitse daken en trapgevels.

Het jaartal 1617 in ankers aangebracht, herinnert aan latere restauratiewerken.De ellipsvormige, door grachten omgeven burcht, bood met haar hoge, zware muren en torens, grote weerstand aan de belegeraars.

Een moeilijk te overschrijden en niet te vernielen hindernis vormden de grachten en de moerassige omgeving langs het oosten, het zuiden en het westen. Daarom kozen de aanvallers liefst de zwakkere noordzijde, waar het kastel aansloot op een hoogvlakte. Echt ingenomen en verwoest werd de burcht slechts eenmaal, zoals reeds gezegd, in 1489 en wel door de Brusselaars, die in opstand waren gekomen tegen Keizer Maximiliaan.

Na het herstel van de vrede, betaalden zij zelf de restauratiekosten.Dit verklaart waarom langs de buitenzijde vooral, twee verschillende periodes in de bouw te onderscheiden zijn.

Van de 14e eeuw dagtekenen de met rode Brabantse zandsteen omlijste schietgaten, die nagenoeg alle dichtgemetseld zijn. De andere met witte zandsteen afgeboorde schietgaten werden aangebracht op het einde van de 15e eeuw en dienden voor de opstelling van geschut. Ook de kantelen zijn in witte zandsteen.

Thans beheersen drie machtige torens het kasteel. Destijds zou er ook een vierde, kleinere toren langs de noordkant bestaan hebben. De verdedigingsmiddelen waren naar klassiek patroon: brede, diepe grachten rondom het kasteel, een ophaalbrug, kantelen op de torens, schietgaten in de muren en in de torens, op min of meer regelmatige afstanden aangebracht, een werpgat om de vijanden te treffen, die er zouden in gelukken de toegangspoort in te beuken. Ronde, uitstekende torens zorgen voor de zijwaartse bestrijking.

Beersel, met zijn drie indrukwekkende ronde torens, mist echter een donjon, het uiterste verdedigingsoord. Iedere toren kon evenwel afzonderlijk verdedigd worden door naar de binnenplaats gerichte schietgaten. Dit in geval de vijand binnen de ringmuur doorgedrongen was.

De tweede en derde toren zijn geflankeerd door wachttorentjes, van waaruit recht naar beneden kon geschoten worden. Tussen die tweede en derde toren zijn twee openingen in de walgang zichtbaar. Zij dienden als ultieme ontsnappingsmogelijkheid. In een noodsituatie kon men langs daar ontkomen of kon een bode naar buiten geraken. Dat gebeurde meestal 's nachts. De mannen lieten zich langs die gaten in het water zakken en bereikten al zwemmend de andere oever. Vanzelfsprekend waren die openingen langs de moerassige kant aangebracht, waar geen aanvallers te vrezen waren.

Men zal opmerken, dat de vensters aan de buitenkant smal en laag zijn. Alle licht moest langs de binnenkant komen. De enkele grotere vensters aan de buitenzijde zijn van een latere periode. Meer dan waarschijnlijk heeft de derde toren, de hoogste, als uitkijkpost gediend. Van hieruit kon de torenwachter naar alle windstreken uitkijken.

Bezoek aan het kasteel van Beersel

Over de omheininggracht was een houten brug geworpen, derwijze dat zij in geval van belegering gemakkelijk kon vernield worden. Men heeft er de grondvesten van weergevonden en ze weer precies in haar oorspronkelijke gedaante hersteld.

De herbouwde ophaalbrug werkt nog zoals in de middeleeuwen. De assen van de ijzeren klossen, waarop de kettingen van de brug werden opgewonden, zijn nog voorzien van de wig en de taatspot, waarin de as van de brug draait. Eens de met ijzer beslagen ingangspoort voorbij, komt men in een lange, gewelfde gang.

Aan de rechterkant bevindt zich een wachtlokaal, voorzien van een schouw en een latrine. Van uit dit lokaal kon de poort afgegrendeld worden met een zware balk, die door een opening in de muur voor de poort geschoven werd.

In het gewelf van de gang bemerkt men het spoor van een groot werpgat, dat achteraf dichtgestopt werd. Door dit werpgat kon men met kokende olie, stenen of stukken schroot, de vijand bestoken, die erin geslaagd was de toegangspoort in te beuken.

De tweede deur rechts geeft toegang tot een wenteltrap, die naar de eerste toren leidt.

Op de eerste verdieping ervan is de zaal voor de bediening van de stormegge, die in geval van nood vóór de ingangspoort kon neergelaten worden. Men ziet er nog een grote steen met klampen, waarmee de windas van de egge tegen de grond gehouden werd. Erboven bestaat nog de balk, waaraan de katrol van de egge bevestigd was.

De zaal bezit een grote, 15e eeuwse schouw met haardplaat en haardijzers. Toen Victor Hugo er in 1857 een bezoek bracht, kon hij niet nalaten er een romantisch vers aan te wijden. Zoals zijn verzen aan de abdij van Villers gewijd, zijn ze niet tot zijn beste scheppingen te rekenen. Hier volgt het, met achteraf een vrije vertaling :

"Il gît là dans le val, le manoir solitaire.
Le moindre bruit s'est tu sous ses mornes arceaux.
Et chaque heure du jour voit tomber une pierre de ses sombres créneaux.
Le corbeau s'est logé dans ses antiques salles.
La chouette y redit sa plainte tous les soirs
.Et le brin d'herbe entre les froides dalles de ses vastes couloirs".

" Daar in de vallei ligt het eenzame slot.
Elk geluid verstomde onder zijn sombere gewelven.
En elk uur van de dag valt een steen van zijn grauwe kantelen.
Raven nestelen in de antieke zalen.
's Avonds herhaalt de steenuil zijn klacht.
De grasspriet ontluikt tussen de kille stenen van zijn wijdse gangen."

Op de tweede verdieping ligt de slaapkamer met alkoof van de kasteelheren. Zij ziet er nog 14e eeuws uit, met haar naakte, bakstenen muren. Wellicht waren die toen met muurschilderingen of tapijtwerk bekleed.

De vloer werd trouw aangepast bij het nog resterende rode, zandstenen plaveisel. De vensters hadden geen ruiten. In de 14e eeuw werden ze met luiken of geolied papier afgeschermd. De vensters naar de buitenkant kwamen er pas op het einde van de 15e eeuw.

De zaal op de derde verdieping werd gebruikt als wapenarsenaal, zoals dat ook het geval was met de bovenste verdieping van elke toren. Nog hoger is de toegang tot de rondegang, met verdedigingswerken uit de 14e eeuw.

Door de werpgaten werden de aanvallers met stenen bekogeld, terwijl kruisboogschutters van achter de kantelen hun pijlen afschoten.

Wij dalen terug tot de eerste verdieping en volgen de smalle walgang tot aan de tweede toren, die als verblijf voor de soldaten en als wapenopslagplaats diende. Ook de tweede toren heeft drie verdiepingen met dezelfde verdedigingsuitrusting en daarenboven nog twee uitspringende, van werpgaten voorziene hoektorentjes. Als wij de rondgang voortzetten, bemerken wij tussen de tweede en de derde toren, twee gapende openingen waarvan het nut reeds besproken is.

Op de eerste verdieping van de derde toren vinden wij de ridderzaal met een gotisch gewelf uit de 15e eeuw. Op de twee sluitstenen staat het wapenschild van Hendrik III van Witthem, met de versierselen van het Gulden Vlies.

Na de bezetting van 1489 liet hij dit gewelf bouwen. Deze toren diende in de 15e eeuw als woning voor de heer of voor zijn luitenant. Hogerop is weer dezelfde uitrusting voor de verdediging aanwezig als in beide andere torens.

Langs een deurtje links volgen we verder de niet gerestaureerde walgang en dalen langs een trap, even vóór de ingang van de eerste toren, naar de binnenplaats af.

Aan de linkerzijde bevindt zich de gevangenis. Een opening in de grond, die met het oog op de veiligheid van de bezoekers met een muurtje omgeven is, was de enige toegang. In de put is nu een ladder aangebracht om de nieuwsgierigen toegang tot de kerker te geven. De gevangenis bestond uit twee gewelfde ruimten. Het was er zeer vochtig, omwille van de ondergrondse ligging vlakbij de grachten. In één ervan kunt u nog een latrine van de gevangenen zien. In de andere ruimte geeft een klein schietgat uit op het water, en dat moest de gevangenen van lucht en een weinig licht voorzien. Wellicht waren die zogezegde kerkers niet meer dan cisternen.

De vestigingmuur aan de rechterzijde van de binnenkoer (westen) bleef ongedeerd zoals hij er in de 14e eeuw, met zijn schietgaten en werpgaten uitzag. Alleen werden er twee vensters in aangebracht met de restauratie op het einde van de 15e eeuw. De linkermuur (oosten) is na de belegering van 1489 gewijzigd. U bemerkt dat aan deze zijde de schietgaten cilindervorming zijn om het gebruik van de lange, smalle kanonnen uit die tijd mogelijk te maken.

Onder deze schietgaten bestaan nog de sporen van de oorspronkelijke smalle schietgleuven. Achteraan op de binnenkoer zijn de schietgaten gedicht, werden getraliede vensters aangebracht en werd een woonhuis met keuken, waterput en kelderverdieping gebouw, waarvan nog een gewelfde kelder bestaat.

Authentieke documenten ontbreken om dit woonhuis te herbouwen, daarom bleef het onaangeroerd. De sluitsteen van het gewelf werd weergevonden; het draagt een monogram P.W. (Philippe de Witthem), waaruit besloten wordt dat het dagtekent van de gedeeltelijke reconstructie op het einde van de 15e eeuw.

In een hoek, rechts van de binnenplaats, stond de kapel. Het ijzeren kruis, dat oorspronkelijk op de toren stond, staat nu op de kerk van Drogenbos.

Men veronderstelt dat de gerechtszaal zich op de benedenverdieping van de derde toren bevond. Hier werden enkele foltertuigen samengebracht: in het midden de pijnbank met kettingen om armen en benen van het slachtoffer vast te maken en houten blokken, waarop hem de ledematen gebroken werden. Opzij in de muur is er een klein kerkerhol, waarin de veroordeelde slechts gebukt kon staan. Twee middeleeuwse koffers en een antieke haardplaat zijn er ook nog te zien.

De drie grote schietgaten in de zeer dikke muren van deze zaal werden na 1489 veranderd. De centrale opening werd afgerond om de loop van de kanonnen door te laten. Deze draaiden op een spil die vastzat op een ijzeren staaf in ieder schietgat.Het zal de bezoeker niet ontgaan zijn dat het kasteel overvloedig van werpgaten voorzien is. Dat maakte het gemakkelijk de aanvallers, die met ladders de torens wilden beklimmen, af te weren.

Alle vensters in de buitenmuren werden slechts op het einde van de 15e eeuw aangebracht, ter vervanging van de schietgaten. Zij zijn vrij klein en voorzien van eiken luiken. De verlichting der vertrekken geschiedde langs grotere vensters aan de binnenzijde.

Het kasteel van Beersel mag aanzien worden als een zeldzaam en volledig voorbeeld van middeleeuwse vestingbouw en is daarom van grote historische waarde. Bij de ingang van het domein werd in 1933 een Bruegeliaanse herberg gebouwd, die in 1966 nog werd vergroot. In 1967 werd een portiersloge in lokale stijl opgetrokken.

Vanaf 1966 werd een aanvang gemaakt met de aanleg van het park onder leiding van wijlen Ridder Joseph de Ghellinck d'Elseghem, voorzitter van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België, met de deskundige hulp van de heer Péchère.

Ter gelegenheid van een bezoek aan het kasteel, loont het een ommetje te maken langs de parochiekerk, waar zich het mausoleum met liggende graffiguren bevindt van Hendrik II van Witthem, gestorven in 1454, en van zijn vrouw Jacqueline de Glimes.

Geschiedenis van het kasteel van Beersel

Zoals de heer Michel de Waha het in zijn belangwekkende memorie van 1972 vaststelt, werd het kasteel door Godfried van Hellebeke gebouwd van 1300 tot 1310 met de hulp van de hertog van Brabant, Jan II.

De auteur heeft de verschillende fasen van de bouw kunnen achterhalen.In 1402 werd een deel van de daken door een brand beschadigd. Dit feit is bekend, zegt de heer de Waha, door een akte van hertogin Johanna, die in het Zoniënwoud een perceel hout afstaat om Hendrik van Witthem te helpen het timmerwerk van het kasteel na de brand te herstellen.

Niets laat vermoeden dat in deze periode grote veranderingen aan het kasteel zouden aangebracht worden. Na het overlijden van Maria van Bourgondië en gedurende de minderjarigheid van Filips de Schone, komen de steden van de Nederlanden in opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk, omdat zij hem niet als regent willen erkennen. Dat was ook het geval van Brussel.

Jan III van Witthem, die trouw blijft aan Maximiliaan, brengt het kasteel van Beersel in paraatheid en verhindert de bevoorrading van Brussel door herhaalde uitvallen. De getergde Brusselaars, ondersteund door Filips van Kleef, sloegen in november 1488 het beleg voor het kasteel, dat door Filips van Witthem, zoon van Jan III, verdedigd werd. De machtige burchtmuren weerstonden aan het geschut van de Brusselaars en het beleg werd opgeheven.

In april 1489 werd het kasteel opnieuw belegerd, ditmaal met de hulp van de Franse artillerie, die gold als de machtigste van Europa en die met autonome, georganiseerde "benden" in Vlaanderen en Brabant werkzaam was. Het beleg was echter van korte duur, want langs een forse bres konden de aanvallers zich van het kasteel meester maken.

Volgens Henne en Wauters, moest het garnizoen zich overgeven; een deel van de manschappen werd in de kerker geworpen en hun aanvoerder, Willem van Ramilly, een Bourgondisch kapitein, werd openbaar opgeknoopt op de Grote Markt te Brussel.

Later kwam Maximiliaan tussenbeide en kon Brussel heroveren. De stad moest een geldboete betalen aan Hendrik van Witthem om het kasteel van Beersel en dat van Eigenbrakel, dat ook gedeeltelijk verwoest was, terug op te bouwen.

Ook zijn woonhuis te Brussel, dat geplunderd was, werd hersteld. De auteurs, die over Beersel schreven, steunend op de kroniekschrijver Molinet en op akten door Maximiliaan in juni 1489 gegeven, hebben beweerd dat het kasteel volledig vernield was. Dat wordt weerlegd door de heer de Waha, die de teksten voor het eerst kritisch bestudeerde en het kasteel zeer grondig onderzocht. Hij kon vaststellen, dat het slechts gedeeltelijk verwoest was. Door de bakstenen op te meten, door mortel en bepleisteringen te ontleden, kwam hij tot de conclusie, dat de eerste toren, bij de ingang, voor de helft vernield was; de aaneenhechting is zeer goed waar te nemen.

De muur tussen de drie torens bleef ongeschonden, evenals de tweede toren. Daarentegen werd de derde toren (voorzien van een uitkijkpost) en de middenwal langs de vlakte, geheel op de oude grondvesten herbouwd.

De restauratie van het kasteel moet gebeurd zijn van 1491 tot 1508. Op de eerste verdieping van de derde toren is de sluitsteen van het gewelf versierd met het wapen van Jan III van Witthem, voorzien van de ketting van het Gulden Vlies, onderscheiding die hij op 28 mei 1491 ontving. Op 30 juni 1508 was het werk ten einde, want op die datum gaf Jacob van Croy, bisschop van Cambrai, de toelating een kapel in het kasteel te openen.

Waarschijnlijk was het kasteel onder de hertogen van Arenberg aan een nieuwe restauratie toe in 1617, jaartal dat op de binnengevel van de eerste toren ingeankerd is. Zoals reeds vermeld, werd het kasteel bewoond door het geslacht van Witthem, tot het uitstierf.

De Arenbergs, die vele kastelen bezaten, verlieten later Beersel om hun intrek te nemen in Heverlee.Gedurende de godsdienstoorlogen mochten de kloosterlingen van Zevenborre het kasteel bewonen. Mits te zorgen voor het onderhoud en een jaarlijkse vergoeding van 200 gulden, werd het rond 1745 verhuurd aan kapitein Vellemans.In 1818 nam een katoenfabriek er zijn intrek.

Slecht onderhouden, verviel het hoe langer hoe meer: alle daken stortten in. Men diende te wachten tot 1928 vóór het uit zijn puin herrees.

Toen stichtte de heer Pelgrims de Bigard, die zeer begaan was met het lot van vele kastelen, de vereniging "De Vrienden van het Kasteel van Beersel". Graaf en gravin Guillaume de Grunne besloten dan hun kasteel aan deze vereniging te schenken.

Onmiddellijk werd onder leiding van de heer Pelgrims de Bigard met de restauratiewerken begonnen. Hij werd bijgestaan door Broeder Herman, leraar aan de Sint-Lucasschool en het was architect Ignace Van den Hulst, die de werken leidde.

Zo redden zij één van de mooiste voorbeelden van krijgsbouwkunde uit het begin van de 14e eeuw en het einde van de 15e eeuw. Al wat nog overeind stond werd behouden, alles wat vernield was werd met materialen uit die tijd met een merkwaardige zin voor historische waarheid hermaakt, daarbij steunend op oude prenten en tekeningen uit de 17e en 18e eeuw. Vooral deze van Harrewijn uit 1690 gaven een zeer nauwgezet beeld van het kasteel.

Deze restauratie droeg de bewondering weg van al de specialisten van die tijd. Maar sinds 1928 is de wijze van restaureren geëvolueerd. De heer Waha bekritiseerde sommige details, o.a. de inplanting van de schietgaten aan de top.

Wie kan echter met zekerheid zeggen of één of ander detail met de situatie van de 15e eeuw st
rookt?